tweede kamer debatteert internationale jacht op werkvlokgeweld
Den Haag, dinsdag, 7 april 2026.
De Tweede Kamer heeft woensdag een cruciaal debat gehouden over het internationale verdrag tegen geweld en intimidatie op de werkvloer. Minister Thierry Aartsen trad namens de regering op. Het verdrag, oorspronkelijk uit 2019, stelt bindingende regels voor preventie en bescherming. Terwijl Europa al meedoet, blijft Caribisch Nederland achter. Daar gelden de strenge arbeidsnormen nog niet. Het debat markeert een stap naar betere arbeidsomstandigheden. Veiligheid op de werkplek wordt een prioriteit. De discussie raakte diep in de kern van arbeidsparticipatie en menswaardig werk.
internationaal verdrag tegen werkvloergeweld centraal in kamerdebat
De Tweede Kamer heeft op dinsdag 31 maart 2026 een debat gevoerd over de goedkeuring van het internationale verdrag tegen geweld en intimidatie op de werkvloer [1]. Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie trad daarbij op namens de regering [1]. Het debat vond plaats in Den Haag en werd vanaf 19.15 uur live uitgezonden via Debat Direct [1]. Het verdrag is in 2019 aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie (IAC) in Genève [1].
doel en reikwijdte van het verdrag
Het verdrag definieert geweld en intimidatie als gedragingen die leiden tot fysieke, psychische, seksuele of economische schade [1]. Het stelt een brede aanpak voor die bescherming biedt via gelijkebehandelingswetgeving, arbeidswetgeving en strafrecht [1]. De focus ligt op preventie, bescherming, handhaving, rechtsmiddelen, en bewustwording door middel van advies en training [1]. Deze maatregelen zijn bedoeld om werknemers effectief te beschermen tegen misstanden op de werkplek [1].
toepassing op europees en caribisch nederland
De wetgeving in Europees Nederland voldoet reeds aan de eisen van het verdrag [1]. Voor Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is dat momenteel nog niet het geval [1]. De invoering van het verdrag in dit deel van het Koninkrijk vindt later plaats [1]. Welke datum dat zal zijn, is nog niet vastgesteld. Ook is onduidelijk hoe Aruba, Curaçao en Sint Maarten zullen besluiten over eventuele toepassing [1].