na 33 jaar uit sociale huur gezet wegens bezit van zeven koopwoningen
Amsterdam, vrijdag, 3 juli 2026.
Een gezin dat 33 jaar in een sociale huurwoning in Amsterdam-West woonde, mag door woningcorporatie Ymere worden uitgezet. De rechtbank gaf Ymere gelijk omdat het huishouden inmiddels zeven koopwoningen en vijf bedrijfsruimtes bezit. De huurder betaalde €670 per maand voor de sociale huurwoning. De rechter vond dat bezit van meerdere woningen betekent dat iemand niet meer tot de doelgroep voor sociale huur behoort. De uitspraak benadrukt dat corporaties woningen moeten vrijmaken voor woningzoekenden met urgente behoefte, zeker bij lange wachttijden van meer dan 13 jaar. De zaak zet een precedent voor toetsing van vermogen van zittende huurders en verandert de balans tussen huurbescherming en huisvestingsplicht van corporaties. Gemeenteplannen vanaf 2027 sluiten woningzoekers met koopwoning vaker uit van sociale toewijzing. De uitspraak roept vragen op over rechtvaardigheid, bewijs van bezit en de rol van corporaties bij het beheer van de schaarse sociale voorraad.
waar speelt deze zaak zich af
De zaak speelt in Amsterdam-West. De rechtbank gaf Ymere toestemming om de huurovereenkomst te beëindigen voor een huishouden dat 33 jaar in een sociale huurwoning woonde, omdat dit huishouden volgens Ymere zeven koopwoningen en vijf bedrijfsruimtes bezit. Het bericht verscheen op 3 juli 2026 en benoemt Amsterdam-West expliciet als locatie van de woning en het geschil [1].
de kern van het vonnis en de uitspraak van de rechter
De rechtbank oordeelde dat bezit van meerdere koopwoningen kan betekenen dat iemand niet langer tot de doelgroep voor sociale huur behoort. Dat oordeel gaf Ymere de bevoegdheid de huurovereenkomst te beëindigen. De rechter vond dat Ymere s belangen, gezien lange wachttijden en huisvestingsverplichtingen om woningen vrij te maken voor urgente woningzoekenden, zwaarder wegen dan de belangen van de zittende huurder [1][2].
feiten over de bewoners en procedurele afhandeling
De huurders betaalden volgens het bericht €670 per maand en woonden 33 jaar in de woning; de huwelijkssituatie dateert van circa 2016. Ymere zei de huurovereenkomst eind 2025 op; de rechtbank gaf in juni 2026 een vonnis dat betaling van achterstand en kosten toewijst. In het kantonzakenoverzicht wordt betaling van €863,43 huurachterstand en een nota van €1.499,98 genoemd, plus proceskosten; de gedaagde was niet verschenen en verstek werd verleend [1][3].
vragen over bewijs, rechtvaardigheid en beleidsrelevantie
Het gepubliceerde vonnis en de samenvattingen vermelden controle van eigendom. In de overzichtssamenvatting wordt echter expliciet genoemd dat in het gepubliceerde vonnis geen bewijsstuk is opgenomen waaruit het bezit van meerdere woningen of bedrijfsruimtes blijkt. Dat roept vragen op over toetsing van vermogen en de bewijsvoering die corporaties en rechters hanteren. De uitspraak raakt ook beleidslijnen: de gemeente werkt aan een huisvestingsverordening die vanaf 2027 woningzoekenden met een koopwoning vaker zal uitsluiten van sociale toewijzing [3][1][alert! ‘in het gepubliceerde vonnis ontbreekt direct bewijs van eigendom’].